Naar het overzicht

Zaligmakend eurokapitalisme

Dat Amerikaanse bedrijven beter zijn dan Europese omdat ze winstgevender zijn, is uit de lucht gegrepen. Wie dieper graaft, ziet dat het Amerikaanse bedrijfsleven concurrentievoordelen heeft en Europa voor het ware kapitalisme staat. 

Het grote verschil in aandelenwaarderingen en winstgevendheid van Amerikaanse en Europese bedrijven is al jaren een punt van levendige discussie. Het aantal keren dat mij werd gezegd dat Amerikaanse bedrijven eenvoudigweg beter zijn dan Europese is niet te tellen. En telkens was de hogere winstgevendheid het argument.

Waarom zou je in Europese aandelen beleggen? Steeds meer economen en strategen gooien daadwerkelijk de handdoek in de ring, want het komt nooit meer goed met het oude continent. Maar wie dieper graaft, ziet dat het in Europa juist goed gaat en in de Verenigde Staten slecht.

Recent onderzoek laat zien dat Amerikaanse bedrijven winstgevender zijn doordat de concurrentie minder fel is. In een artikel van het NBER (National Bureau of Economic Research) in juni dit jaar met de mooie titel How EU markets became more competitive than the US markets: a study of institutional drift kijken de auteurs naar integratie van de Europese Unie in de afgelopen twee decennia, toen het toezicht steeds meer een Brusselse aangelegenheid werd. Sindsdien is de maatstaf voor concurrentie, de Herfindahl-index, in Europa gedaald tot onder die van de Verenigde Staten. Hoe lager de score van de index hoe meer aanbieders een industrie telt. Voor de fijnslijpers: het geldt ook voor afzonderlijke Europese landen, en is zo goed als in elke industrie het geval.

Europa is dus de markteconomie in optima forma. Waarom is dat? De auteurs van het artikel wijzen erop dat in de Verenigde Staten minder druk is om kartels op te breken en ook minder aandacht voor misbruik van een dominantie marktpositie door bedrijven. De grafiek in het artikel over het verschil in uitgaven aan lobbyisten is in dat opzicht illustratief. De explosie van uitgaven aan lobbyisten in de VS houdt gelijke tred met de mindere concurrentie. De gevolgen zijn zorgwekkend, want het gebrek aan concurrentie maakt aandelen duurder, houdt loonkosten laag en zorgt ervoor dat de investeringen achterblijven. Daar zit een les voor EU beleidsmakers in want ook hier nemen de lobby uitgaven langzaam toe.

Door het gebrek aan concurrentie is de Tobin’s Q - de ratio van marktwaarde versus de vervangingswaarde - van Amerikaanse bedrijven de laatste vijf jaar veel harder gestegen dan in Europa. Anders gezegd: de waarderingen van Amerikaanse aandelen zijn harder opgelopen. Bedrijfsinvesteringen in de Verenigde Staten blijven achter, evenals de inkomensgroei. Het gebrek aan concurrentie is dus evengoed een maatschappelijk probleem.  

In de praktijk houden beleggers zich niet altijd bezig met (de)regulering en monopolistisch gedrag. Het onderzoek laat echter zien dat dat ten onrechte is. Het lijkt erop dat een tekort aan marktkrachten ervoor zorgt dat in de Verenigde Staten de groei achterblijft bij haar potentie en de ongelijkheid toeneemt. Andere onderzoekers bevestigen dit beeld. In het kapitalistische Walhalla zijn door het gebrek aan concurrentie ondernemingen winstgevender, maar ze investeren niet. Goed voor de korte termijn, maar slecht op de lange termijn. In Europa begrijpen we het principe van een goed werkende markteconomie beter. Hier moet je zijn voor het ware kapitalisme. Als belegger zou ik wel graag zien dat dit in de waarderingen terecht komt. Kunnen die alsjeblieft iets omhoog?

De auteur

Roelof Salomons

Aanmelden

Laat je e-mailadres achter en ontvang de nieuwste editie als eerste in je mailbox