Naar het overzicht

De tweede stap in een mogelijk Nederlands “pensioenakkoord”

23 juni 2020

Met het voorgenomen “pensioenakkoord”, afgesloten door sociale partners en het kabinet is er een tweede stap gezet om ons pensioenstelsel te moderniseren. Wij denken zelf dat het nog te vroeg is om over een daadwerkelijk akkoord te spreken omdat een aantal belangrijke zaken nog open staat ten aanzien van de transitie. Daarnaast is ook nog instemming nodig is van belangrijke stakeholders. Belangrijke verdeling/omvormingvraagstukken staan nog open voor zowel de premie, het huidige vermogen (invaren) en de opbouw van een reserve. Dit neemt niet weg dat een aantal belangrijke vervolgstappen is gezet om meer individuele elementen aan het ons Nederlandse collectieve en solidaire pensioenstelstel toe te voegen. Wij noemen dit de toegevoegde waarde van de individuele eigendomsrechten binnen een collectief stelsel.  Feitelijk ontstaat hiermee een hybride (CIDC) pensioenstelsel  waarbij collectieve en individuele elementen optimaal worden gecombineerd. Dit “akkoord” wordt nu verder uitgewerkt in afspraken die moeten zorgen dat de volgende uitgangspunten uit de vijf A4-tjes daadwerkelijk worden gerealiseerd: 

  • Eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen, wat ook betekent dat het pensioen meebeweegt met de ontwikkeling van de economie;
  • Pensioen transparanter en persoonlijker maakt;
  • Beter aansluit bij de ontwikkelingen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt.

Een aantal afspraken uit het akkoord is inmiddels bekend, maar duidelijk is dat nog niet alle afspraken zijn uitgewerkt. Wij willen in dit document de eerste implicaties schetsen van dit “akkoord” zonder alle feiten uit de inmiddels 5 bekende A4-tjes op te sommen. Eventuele wijzigingen zijn ook niet uitgesloten aangezien zowel de achterban van de sociale partners als de Tweede Kamer dienen zich nog uit te spreken over de gemaakte afspraken. Vanzelfsprekend houden wij de vinger aan de pols wat betreft de verdere uitwerking. Het belangrijkste punt op de korte termijn is de verlenging van de vrijstellingsregeling: als de actuele dekkingsgraad per eind december 2020 boven de 90% ligt, dan hoeven pensioenen niet gekort te worden. Voor de invoering van de nieuwe pensioenregeling hebben fondsen wel even de tijd, deze moet voor 2026 zijn ingevoerd.

Belangrijkste afspraken met betrekking tot tweede pijler
De solidariteit en collectiviteit blijven behouden binnen de tweede pijler, evenals de verplichtingstelling. Het CDC-systeem met een maximale premie blijft behouden, er worden alleen individuele eigendomsrechten (de “Ï”) en leeftijdscohorten aan toegevoegd. Verder komt er geen splitsing tussen de opbouw en uitkeringsfase, maar verdwijnen wel zaken als rekenrente, FTK en dekkingsgraden. Daarnaast komt de overheid met extra fiscale ruimte voor met name jongeren om de doorsneepremie af te kunnen schaffen, dit neemt niet weg dat dit een moeilijke transitie is voor met name de huidige deelnemers aan pensioenregelingen. Een ander belangrijk nieuw element is het projectierendement. Ten slotte kunnen sociale partners kiezen voor het nieuwe pensioencontract of de verbeterde premieregeling. Deze keuze geldt ook voor bedrijfstakpensioenfondsen en beroepspensioenfondsen.

Het beoogde nieuwe pensioencontract is één collectief van actieven, gepensioneerden en slapers. De belangrijkste verandering is dat niet meer gewerkt wordt met ‘aanspraken’ of ‘verplichtingen’.  De rekenrente om de contante waarde van de verplichtingen te berekenen komt hiermee te vervallen. Aan deelnemers wordt jaarlijks getoond welke premie wordt ingelegd, wat voor iedere deelnemer het gereserveerde vermogen is en hoeveel pensioen iedere deelnemer kan verwachten. De communicatie over het te verwachten pensioen verloopt via een projectiemethode, die nog nader uitgewerkt moet worden maar naar verwachting lijkt op de URM (inzicht in een aantal scenario’s) die nu ook wordt toegepast bij DC-regelingen. De premie wordt ook via de projectiemethode bepaald. Daarnaast wordt deze gemaximeerd. De toedeling van rendementen aan leeftijdscohorten van deelnemers vindt plaats op basis van vooraf gedefinieerde rekenregels. Hierbij zullen jonge deelnemers vanwege de lange beleggingshorizon meer blootstelling hebben naar risicodragende beleggingen en neemt het risicoprofiel af naarmate de leeftijd vordert.

Een van de uitgangspunten van het pensioenakkoord is een pensioen dat meebeweegt met de economie. 

In het nieuwe pensioencontract kan het pensioen directer meebewegen met de economie, maar zijn er ook mogelijkheden om de pensioenuitkeringen te stabiliseren. De intentie is om dit uit te smeren over voor- en tegenvallers in de tijd maar ook door het collectieve rendement/risicoprofiel te differentiëren naar leeftijdskarakteristieken (risicomanagement op basis van leeftijd). Daarnaast is een collectieve solidariteitsreserve onderdeel van het pensioencontract, dit onderdeel kan worden gebruikt om in slechte jaren tegenvallers te dempen. Deze reserve kan opgebouwd worden uit de premie en uit rendementen die hoger zijn dan het projectierendement plus inflatie (overrendement). Benadrukt wordt dat dit een collectief en niet toebedeeld vermogen is, bij uitdiensttreding kunnen deelnemers daarmee een deel van deze waarde niet overdragen. 

Sociale partners kunnen ook kiezen voor een verbeterde premieregeling. Bij uitvoering van de premieregeling door het pensioenfonds kan het pensioenfonds ervoor kiezen dat de variabele uitkering de standaard wordt, wat inhoudt dat deelnemers na de individuele opbouwfase kans op een hoger pensioenen houden, maar echter met een hoger risico. Desgewenst kunnen deelnemers kiezen voor een stabiele uitkering. Met het “akkoord” worden de verschillen met een premieregelingen wat ons betreft kleiner, dit neemt niet weg dat er nog een aantal belangrijke verschillen blijft bestaan met name ten aanzien van solidariteit en het wel of niet hebben van actuariële pensioenverplichtingen gedurende de uitkeringsfase.

Wat betekent het nieuwe pensioenakkoord het beleggingsbeleid?
De huidige informatie over het nieuwe pensioenakkoord geeft ons contouren om voorzichtig conclusies te trekken voor het beleggingsbeleid.  Wij verwachten dat het nieuwe pensioenakkoord een behoorlijke impact zal hebben op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen, met name ten aanzien van een nog sterke behoefte naar een stabiel, lange termijn en absoluut rendement dat minder afhankelijk is van de marktrente. Tevens zal het nut van renteafdekking aanzienlijk minder worden en zal de keuze naar zakelijke waarden niet meer worden gerelateerd aan het VEV-budget. Daarnaast zal de toedeling compleet veranderen door de introductie van de leeftijdscohorten. Jongere deelnemers zullen een hoge toedeling naar zakelijke waarden krijgen en ouderen een lagere toedeling. Met name jongeren zullen in de begin jaren meer pensioen moeten opbouwen om te kunnen eindigen met een geïndexeerd pensioen (hoge vervangingsratio). Illustratief hebben we hieronder weergegeven wat de samenhang is tussen het benodigd rendement, de pensioenopbouw en het projectierendement


Projectierendement

In het nieuwe pensioenakkoord zal voor het verwachte pensioen gerekend worden met een projectierendement. De impact van deze wijziging moeten pensioenfondsen meenemen in de herziening van hun beleggingsbeleid. De doorsneepremie wordt afgeschaft en er zal voor nieuwe deelnemers met een vlak premiebeleid gewerkt worden. Gegeven de (maximale) premiebijdrage van 33% schatten wij in dat een gerealiseerde rendementen onder circa 1,5% zal leiden tot lagere pensioenen en een rendement daarboven tot hogere pensioenen (indexatie). Dit exclusief invaar en herverdelingsvraagstukken t.a.v. het vermogen en de premiesystematiek uit het verleden. Als er 2% indexatie/een hogere vervangingsratio nagestreefd wordt, zal er 3,5% rendement moeten worden gemaakt over de totale periode voor een geïndexeerd pensioen. Jongere deelnemers hebben een hoger rendement nodig voor een volledig pensioen, (bijvoorbeeld 5%). Oudere deelnemers zullen wellicht toekunnen met 2%. Het nieuwe stelsel maakt dit ook mogelijk: het risico-rendementsprofiel kan voor jong anders wordt ingevuld dan voor oud. 

Wij achten de kans dat het projectierendement verder wordt verlaagd (rentegevoelig is) minimaal omdat 33% een forse premie (de grens is voor de sociale partners) is. Maatschappelijk gezien is in onze ogen een essentieel uitgangspunt dat het projectierendement niet wordt verhoogd (premie verlaagd) bij een stijgende marktrente. Dit juist vanwege het feit dat we het pensioenstelsel minder afhankelijk willen maken van de rekenrente met name ten aanzien van de premie. Een stabiele premie is wat ons betreft een essentieel element om vertrouwen te herstellen bij deelnemers, het pensioensysteem te vereenvoudigen en te sturen op een zo hoog mogelijk pensioen voor deelnemers waarvoor een lange termijn horizon benodigd is.

Renteafdekking

De renteafdekking zal een aanzienlijk minder cruciale rol spelen omdat de rol van rentegevoeligheid voor het pensioenfonds sterk verandert van een disconteringsvoet voor verplichtingen naar een bron van beleggingsrendement om het projectierendement met een zo laag mogelijk risico te realiseren. Feitelijk wordt het absolute rendement belangrijker omdat met een min of meer stabiele projectierente wordt gewerkt in plaats van een surplus boven een volatiele marktrente in het huidige pensioenkader. Dit komt omdat het “akkoord” is gericht op stabiele rendementen en niet meer werkt met aanspraken. Hierdoor zal geen sprake meer zijn van dekkingsgraden en de daarbij behorende risicomaatstaven zoals Vereist Eigen Vermogen, dekkingsgraadvolatiliteit etc. Een stabiel pensioen is een stabiel rendement door de tijd heen. Vastrentende waarden zullen wat ons betreft met name worden beoordeeld op de stabiliteit van het rendement, dit naast de mate van diversificatie met zakelijke waarden om te komen tot een evenwichtig risicoprofiel van de totale beleggingspot per leeftijdscohort. Hierdoor hoeven geen lang lopende verplichtingen meer te worden “afgedekt” en zal op een andere manier naar gewenste rentegevoeligheid en de portefeuille-invulling worden gekeken. Immers, er is geen sprake meer van een rekenrente, de rente zal alleen nog een beleggingselement zijn. In plaats van sturing op pensioenresultaat zal gestuurd worden op vervangingsratio’s die sterk wordt gebaseerd op een stabiel projectrendement, waardoor fluctuaties in opbouwpercentages optreden.  De “risicovrije matchingportefeuille” verschuift naar een laag risico portefeuille met vergoedingen voor spread en illiquiditeit. 

Zakelijke waarden

Een belangrijk verschil is dat het Vereist Eigen Vermogen er niet meer toe doet. Dit maakt dat alternatieve risicomaatstaven leidend worden naast het behoud van een hoge mate van diversificatie. Gezien het belang van een stabiel en absoluut rendement denken wij dat met name maatstaven die helpen extreme risico’s te vermijden een nog belangrijkere rol krijgen. Wat betreft de beleggingsverdeling zal het bestaande brede universum van toepassing blijven. Dat tevens door de solidariteit en collectiviteit ook in grotere mate gebruik gemaakt kan worden van illiquide en alternatieve beleggingscategorieën zoals niet-beursgenoteerd vastgoed, directe hoogrentende bedrijfsleningen, infrastructuur en landbouwgrond. De laatste twee categorieën hebben momenteel hoofdzakelijke nog een relatieve hoge VEV-opslag zeker in vergelijking met vastgoed.

Welke belangrijke onderdelen moeten nog worden opgelost voor een definitief akkoord

In onze ogen zijn de drie belangrijkste onderdelen die integraal dienen te worden opgelost:

  1. De verdeling van het bestaande vermogen en bijbehorende pensioenrechten
  2. De premiesystematiek voor bestaande deelnemers zonder dat er sprake is van compensatie door de overheid
  3. De systematiek voor de inzet van de solidariteitsreserve

De verdeling van het bestaande vermogen en bijbehorende pensioenrechten

Een van het heetste hangijzers in het pensioenhervormingsdebat is een evenwichtige verdeling van risico’s en rendementen tussen jong en oud. Dit is enerzijds het geval in de vaststelling van evenwichtige beleggingsprofielen en de systematiek van toerekening van rendementen. Anderzijds zijn er ook uitdagingen ten aanzien van de overgang van het huidige stelsel naar het nieuwe stelsel.  Dit invaren kan verschillend uitpakken voor verschillende leeftijdsgroepen, waarvoor gecompenseerd zou moeten worden. Duidelijk is dat werknemers en werkgevers dit gezamenlijk moeten oplossen, de overheid heeft aangegeven dat het kostenneutraal moet gebeuren wat inhoudt dat zij niet bijspringt. In de uitwerkingen is hier zichtbaar aandacht aan besteed, en het vertrouwen wordt uitgesproken dat het vermogen toereikend is om dit evenwichtig en kostenneutraal uit te voeren en een standaardtraject wordt geboden voor het ‘invaren’ van bestaande rechten. Toch is het in onze ogen maar de vraag hoeveel fondsen er uiteindelijk uitkomen. Wij denken om verschillende reden dat het bepalen van een evenwichtige compensatie niet eenvoudig is. 

Allereerst: hoe verdelen we de huidige pot? Welke pensioenrechten zijn er opgebouwd per deelnemersgroep? Wat is er toegezegd? En met welk startniveau (dekkingsgraad) beginnen we de discussie? En worden er nog kortingen doorgevoerd voor 2026? Genoeg complexe vragen, zeker omdat de afgelopen jaren al verschillende stappen zijn gezet om tot een oplossing te komen. We hebben hieronder daarom illustratief een aantal dekkingsgraden weergeven gegeven de verschillende rekenrentes die verschillende stakeholders als vertrekpunt voor de discussie zouden kunnen kiezen. Op basis van het nieuwe projectierendement is er sprake van een “surplus”, terwijl op basis van de beoogde nieuwe UFR of de actuele swaprente er sprake is van een tekort. Dit los van het feit dat voor alle dekkingsgraden geldt dat er jarenlang niet is geïndexeerd en opbouwpercentages aanzienlijk zijn verlaagd. Wij zijn van mening dat dit een erg complex vraagstuk is, waarvoor nog veel tijd en wijsheid voor nodig is, zeker ook omdat het juridisch niet mogelijk is om zomaar toezeggingen te wijzigen. Voor ons blijft een realistische route dat de bestaande afspraken blijven zoals ze zijn en het “akkoord” vooral het uitgangspunt gaat vormen voor nieuwe pensioenrechten.

De premiesystematiek voor bestaande deelnemers zonder dat er sprake is van compensatie door de overheid

Er zal een overgangsperiode nodig zijn om te switchen naar het vlakke premiebeleid. Ondanks dat er ruimte is om de bestaande regeling, de progressieve opbouw, te laten bestaan zal er voor nieuwe medewerkers gewerkt worden met het vlakke premiebeleid. In het verleden werd voor jong en oud een zelfde (doorsnee-)premie ingelegd, waarvoor uiteindelijk een zelfde pensioen wordt verkregen maar de opbouw daarvan door progressief verloop sterk in de tijd verschilt. Dit wordt in het beoogde stelsel doorbroken. Dit leidt tot nadeel bij een generatie waarvoor de opbouw achterloopt bij de inleg. Compensatie is daardoor op zijn plaats, maar moet kostenneutraal plaatsvinden. Wij verwachten dat voor de jongeren de premie de komende jaren per saldo nog laag zal blijven en voor de ouderen juist hoog. Hierdoor zullen de jongeren een hoger rendement moeten behalen om tot een geïndexeerd pensioen te komen aangezien de premieopbouw voor deze groep naarmate ze ouder worden minder zal zijn in vergelijking met de doorsneepremie. Dit vraagstuk gaat verder dan het verdelen van de pot zoals geschetst bij de vorige vraag. Hier gaat het om het zoeken naar een evenwichtige herverdeling van jongeren naar ouderen in de startfase van het nieuwe stelsel om recht te doen aan een kostenneutrale compensatie zonder een bijdrage van de overheid. Hierbij spelen in tegenstelling tot de vorige paragraaf ook de bestaande opgebouwde en de nog nieuw op te bouwen pensioenrechten een rol hetgeen de complexiteit vergroot.

De systematiek voor de inzet van de solidariteitsreserve

Ten slotte zal bij de start van de opbouw nog geen sprake zijn van een buffer, naast het middelen van mee- en tegenvallers, om uitslagen te mitigeren. Deze buffer dient de komende jaren opgebouwd te worden. Het is de vraag hoe dat plaats gaat vinden. Deze buffer kan gevormd worden uit overrendementen en premies. Betekent dit dat premies voor jongeren voor een deel in de buffer komen? Vormt dit reden om de offensieve portefeuille voor de jongeren veel risico te laten nemen om daarmee de kans om overrendement richting de buffer af te romen te verhogen? Ook bestaat een motief vanuit stakeholders om de premie zo laag mogelijk te houden en/of het pensioenperspectief zo hoog mogelijk te schetsen. Dit was bij de invoering van de wet Verbeterde Premieregeling ook een lastig vraagstuk, waarmee in de praktijk relatief weinig mee is gedaan.

Tot slot  
Er is een tweede stap gezet in de mogelijk hervorming van ons pensioenstelsel maar we zijn er zeker nog niet. Graag verwijzen we in dit kader naar onze recente podcast met Fondsnieuws-redacteur Yvonne Schreuder over de noodzaak het pensioenstelsel te veranderen en wat de toevoegde waarde is van “I” aan ons Nederlandse CDC stelstel.  Juist door het combineren van collectieve en individuele elementen (CIDC) blijft ons pensioenstelstel tot de top van de wereld behoren en kan worden gewerkt aan herstel van vertrouwen bij de pensioendeelnemers.

Wij zien het als onze taak om u te helpen om de juiste balans te vinden tussen een hoog en stabiel rendement. Dit met name om verdeling en dempingsvraagstukken zo eenvoudig mogelijk te maken zodat complexe berekeningen, discussies en/of instrumenten zoveel mogelijk kunnen worden vermeden en de stapsgewijze overstap naar een nieuw pensioenstel zo kansrijk mogelijk wordt en de daadwerkelijke doelen ook worden bereikt. 


 

  1. Bergamin, Eric, Lans Bovenberg, Raymond Gradus en Wilse Graveland, Economisch Statistische Berichten, 99(4679), 102-105, February 2014.

Aanmelden

Laat uw e-mailadres achter en wij sturen u de laatste updates.